De mens bewaard

Frederik Ruysch wilde de mens bewaren.
Dat deed hij door hem zorgvuldig te ontleden en elk deel te bewaren.
Op sterk water.
Geprepareerd met was. Balseming.
Longvliezen. Melkvaten. Een kinderarmpje dat twee oogleden vasthoudt. Een skelet met een gebalsemd hart.
In Ruysch’ anatomisch kabinet werd de innerlijke mens tentoongesteld met vaandels, kant en bloemen die eeuwig leken te bloeien.

armpje
Ik vraag me af wat bezoekers dachten?

Ooit was ik in het Museum voor Anatomie en Pathologie in Nijmegen en tot op de dag van vandaag herinner ik me de collectie pathologie als ziekte en mismaaktheid achter glas. Luguber. Op de afdeling anatomie de kon je de ontwikkeling van de mens aanschouwen. Ook op sterk water.
Geen kant, bloemen of vaandels.
Zouden de bezoekers van Ruysch’ kabinet hetzelfde gevoel hebben gehad als ik bij mijn bezoek aan het Museum voor Anatomie en Pathologie? Een mix van fascinatie, afschuw, medelijden en angst.
Ik besef dat ik hun ervaring niet kan weten, maar de manier van tentoonstellen van Ruysch zal vast andere emoties opgeroepen hebben. De versieringen tonen het respect dat hij had voor zijn preparaten; de doden werden versierd, hun gelige bleekheid werd tegengegaan met bloemen. Niet de lelijkheid, maar de schoonheid benadrukte hij. En terecht, want het leven is een wonder.

In mijn boek bezoekt de hoofdpersoon het anatomisch kabinet.

De ruimte was koel en schemerig en gevuld met kasten en kabinetten met schappen vol glazen potten en vreemde voorwerpen. Bij de ingang stond een stenen bed, een tombe, daarbovenop kleine geraamtes. Rachel trok de luiken verder open en bleek daglicht stroomde het vertrek in en scheen over de beenderen en schedels. Een van de geraamtes – Flora schatte van een kind niet ouder dan drie of vier – hield een vogelskelet in zijn hand. ‘De onwederroepelijke tijd vliegt voorbij,’ las ze op een bordje. Het zette haar aan het denken, juist dát bordje, en niet de geraamtes die daar zo levendig stonden opgesteld, het wat grotere kinderskelet dat een vaandel droeg en het derde en kleinste – het kind kon niet ouder geweest zijn dan een jaar – dat een lans vasthield in een benig handje. Nee, de tijd hield haar bezig, de tijd dat ze hier rondliep, in deze intrigerende ruimte waar ze eigenlijk weg wilde. De onwederroepelijke tijd vliegt voorbij… misschien dacht je zo op je sterfbed, maar nu ging de tijd zo tergend traag dat ze zich moest vermannen om niet om te draaien en weg te lopen, de gracht af, de Prinsengracht op en via de Warmoesgracht naar het weeshuis.
‘Gaat het?’ vroeg Manuel.
Ze knikte, het was niet wat hij dacht.
Ze bleven staan bij een groep kinderskeletten met speelgoed in hun handen. Eén kind hield iets aan een zijden draad omhoog.
‘Een gebalsemd hart,’ zei Rachel die naast hen was komen staan. ‘Levensecht, vindt u niet? Alsof het vanmorgen uit een lichaam is gehaald.’
‘Hoe kan het er zo echt uitzien?’ vroeg Flora.

Uit: Roeien naar de Volewijck

p.s. Het armpje met de oogleden siert trouwens de cover van het boek Vingers van Marsepein van Rascha Peper, een prachtig boek over Frederik Ruysch.


Dit is de maand van de geschiedenis. In de speciale editie van de Boekenkrant over historische romans staat een interview met mij.
En ik schreef een roman over het Burgerweeshuis in Amsterdam.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s